logo

 

Modelvliegclub Tornado vzw


RICHTLIJN VOOR HET UITTRIMMEN VAN AEROBATIC VLIEGTUIGEN.

Het vliegen met een niet goed afgestelde en uitgetrimde kist kan het vliegen van figuren frustreren. Immers je hebt dan naast het vliegen van de figuren een extra bezigheid met het corrigeren en het op koers houden van het vliegtuig. Dit bemoeilijkt natuurlijk het vliegen van de figuren zelf. Toch is dit niet nodig als je wat meer tijd en energie in het afstellen en uittrimmen van je kist zal stoppen. Dit wordt later dubbel en dwars terug verdient. (Dit geldt natuurlijk niet alleen voor kunstvlucht kisten).

Er zijn wel een aantal grondregels die je in acht moet nemen voordat je aan het echte afstellen toe komt:

1. vleugels, stabilo, romp moeten exact gebouwd zijn en mogen geen afwijkingen hebben;

2. vleugels, stabilo, kielvlak moeten precies worden uitgericht;

3. de roeren mogen niet krom zijn en moeten een rechte achterkant hebben;

4. de roeren en de servo's moeten zonder speling met elkaar verbonden zijn;

5. de servo's moeten sterk genoeg zijn om de op de roeren optreden krachten te kunnen weerstaan en de servo's moeten minimale stelfouten hebben;

6. het vlieggewicht van een F3A-X kist moet je zo laag mogelijk proberen te houden. (richtlijn: Extra 300s - 62cc - 2,4m spanwijdte = tussen 8 à 10kgs).

 

DE BASISINSTELLING VAN DE KIST.

Tijdens de bouw van mijn kist ga ik van de volgende basisinstellingen uit: (geldt voor een ééndekker)

1. instelhoek vleugel = 0 graden;

2. instelhoek stabilo = tussen 0 en 1,5 graden (dit hangt af van het gewicht en zwaartepunt van de kist);

3. neerwaarts-stelling van de motor (downthrust) = 1,5 graden; (bij dubbeldekkers is dit vaak omgekeerd en staat de motor omhoog);

4. zijwaarts-stelling van de motor (sidethrust) = 3 graden.

TIPS:

- Een deelbaar stabilo vergemakkelijkt een latere aanpassing van de instelhoek;

- controleer de hoogte- en rolroeren op hun speling, exactheid en symmetrie in bewegen (één kant mag niet sneller zijn of meer uitslag maken als de andere kant);

- de ontvanger trillingsvrij inbouwen;

- zorg ervoor dat je eventueel nog kunt schuiven met bv. het accupakket om zo het zwaartepunt te beïnvloeden;

- bouw de brandstoftank in op het zwaartepunt (dit voorkomt problemen met het zwaartepunt bij het leegraken van de tank);

- tijdens de bouw vaststellen van het zwaartepunt van een laagdekker

moet je de laagdekker op zijn kop houden om het zwaartepunt vast te stellen;

- als er een grote naad aan de onderkant van je hoogte- rolroer is, deze afplakken met tape, zodat er geen wervelingen onder je roeren ontstaan (houdt er rekening mee dat de roeren hierdoor effectiever worden);

NA DE EERSTE VLUCHT.

1. Trim je model zodanig uit dat het in een rechte horizontale lijn vliegt.

2. Stel je uitslagen zodanig in dat het model lekker vliegt. Niet te groot (de kist wordt nerveus) en niet te klein (de kist krijgt dan problemen met bepaalde figuren zoals een spin en een snaprol). Ik houd als richtlijn meestal aan: 3 à 4 rollen in 5 seconde.

3. Zorg ervoor dat je uitslagen harmonisch zijn afgesteld: Niet dat het model fel reageert op hoogteroer en weinig op de rolroeren, en omgekeerd.

4. Stel voor het richtingsroer een zo groot mogelijke uitslag in.

5. Gebruik eventueel, indien mogelijk, een expo aandeel bij het sturen.

Exponentiële sturing = begin knuppelbeweging weinig roeruitslag, later veel uitslag.

 

Hebben we dit allemaal gedaan dan komen we bij het echte uittrimmen en afstellen in de lucht.

 

NEGEN STAPPEN TOT EEN PERFECT KUNSTVLUCHTMODEL.

De afstelling die we op de bouwtafel hebben gedaan aan de instelhoeken,

zwaartepunt en motordomping zijn altijd een richtwaarde. Het exact afstellen van een model kan alleen maar "vliegend" plaatsvinden. Immers hier zie je hoe de zwaartekracht van de aarde en trekkracht van de motor en aërodynamica invloed hebben op het model.

Een goed kunstvluchtmodel moet in alle vliegende posities een neutraal vlieggedrag hebben. Dit is de basis waarvan wij uitgaan. Om dit zover te krijgen volgen we het "9 stappenplan" in de ondergenoemde volgorde. Houdt echter altijd in je achterhoofd dat de ene verandering altijd invloed heeft op de andere. Je zult dus de stappen moeten herhalen om een zo goed mogelijk resultaat te krijgen. Mocht het model na het volgen van de stappen nog niet neutraal vliegen, dan is het model waarschijnlijk niet geschikt voor kunstvlucht.

Kies voor het vliegen een rustige dag met niet teveel wind en turbulentie uit.

Tijdens het afstellen moeten de roeren neutraal staan.

STAP 1: INSTELHOEK INSTELLEN.

Vlieg het model in een verticale loodrechte neerwaartse lijn, motor stationair:

1. vliegt het model naar de bovenkant weg als het ware up getrokken, dan instelhoek verkleinen (neuslijst van het stabilo omhoog);

2. vliegt het model naar de onderkant weg als het ware down gestuurd, dan instelhoek vergroten (neuslijst van het stabilo naar beneden);

3. vliegt het model recht naar beneden = OK.

STAP 2: ZWAARTEPUNT INSTELLEN.

Vlieg het model in horizontale rugvlucht:

1. vliegt het model met veel down, dan moet gewicht in de staart;

2. stijgt het model naar boven, dan moet gewicht in de neus;

3. vliegt het model met hoogteroer neutraal of iets down gestuurd = OK.

STAP 3: HET MODEL RECHTUIT LATEN VLIEGEN.

Vlieg het model in horizontale rugvlucht:

1. rolt de rechter vleugelhelft vanzelf naar boven weg, dan gewicht aan de rechtertip aanbrengen;

2. rolt de linker vleugelhelft vanzelf naar boven weg, dan gewicht aan de linkertip aanbrengen;

3. rolt het model niet meer naar links of rechts weg = OK.

STAP 4: ZIJWAARTS-STELLING (SIDETHRUST) INSTELLEN.

Vlieg het model in een verticale loodrechte stijgvlucht, motor volgas:

1. breekt het model naar links weg als het ware links richting gegeven, dan meer zijwaards-stelling (naar rechts);

2. breekt het model naar rechts weg als het ware rechts richting gegeven, dan minder zijwaards-stelling (naar links);

3. breekt het model niet meer naar links of rechts uit = OK.

STAP 5: NEERWAARTS-STELLI NG (DOWNTHRUST) INSTELLEN.

Vlieg het model in een verticale loodrechte stijgvlucht, motor volgas:

1. breekt het model naar onderkant uit als het ware down gegeven, dan motordomp verkleinen (spinner naar boven);

2. breekt het model naar bovenkant uit als het ware up getrokken, dan motordomp vergroten (spinner naar beneden);

3. breekt het model niet meer naar onderkant of bovenkant uit = OK.

STAP 6: FIJNAFSTELLING RECHTUIT VLIEGEN.

Vlieg een grote Looping vanuit normaalvlucht:

1. laat het model na de Looping de rechtertip hangen, dan gewicht aan de linkertip aanbrengen;

2. laat het model na de Looping de linkertip hangen, dan gewicht aan de rechtertip aanbrengen;

3. het model vliegt na de Looping recht verder = OK.

STAP 7: ROLROER DIFFERENTIERING.

Onthoudt dat het roer wat omhoog staat de volle 100% uitslag heeft, en het roer wat aan de andere kant naar beneden gaat, wordt ingesteld van 0-100%.

Vlieg vanuit horizontale normaalvlucht 4 à 5 rollen rechtsom:

1. het model maakt een kurkentrekker naar rechts, dan meer differentiëring (benedenuitslag linkerrolroer verkleinen;

2. het model maakt een kurkentrekker naar links, dan minder differentiëring (benedenuitslag linkerrolroer vergroten);

3. het model blijft rechtuit vliegen = OK.

Vlieg vanuit horizontale normaalvlucht 4 à 5 rollen linksom:

1. het model maakt een kurkentrekker naar links, dan meer differentiëring (benedenuitslag rechterrolroer verkleinen;

2. het model maakt een kurkentrekker naar rechts, dan minder differentiëring (benedenuitslag rechterrolroer vergroten);

3. het model blijft rechtuit vliegen = OK.

STAP 8: DE OPTIMALE V-STELLING VAN DE VLEUGEL.

Vlieg het model in meskant van rechts naar links (cockpitzijde naar je toe):

1. rolt het model naar rechts terug, dan minder v-stelling nodig;

2. rolt het model naar links door, dan meer v-stelling nodig;

3. draai het model niet meer uit de meskant = OK.

STAP 9: HOOGTEROEREN AFSTEMMEN.

Vlieg een Looping vanuit normaalvlucht en vanuit rugvlucht:

1. rolt het model bij de twee Loopingen in dezelfde richting, dan liggen de roeren niet op één lijn en werkt derhalve als rolroer.

2. rolt het model bij de twee Loopingen in tegengestelde richting, dan heeft één hoogteroer meer uitslag als de andere.

3. geen afwijking = OK.

In dit artikel heb ik geprobeerd aan te geven in 9 stappen hoe iedere modelvlieger zijn/haar model voor kunstvlucht kan optimaliseren. Vooraf, volgens tekening, ingestelde waardes zijn bij lange na niet voldoende om een perfect vliegende kunstvlucht kist te krijgen. Veel starts, landingen en instellingen aanpassen zijn nodig totdat het model een volledig neutraal vlieggedrag krijgt. Tot slot wil ik herhalen dat je goed moet bedenken dat de ene verandering altijd invloed heeft op het andere.